Art. 341

Wetsartikel 

Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Wanneer het tegenbewijs van de belastingplichtige betrekking heeft op verkopen van roerende waarden of andere financiële instrumenten die hij zich als belegging heeft aangeschaft, hebben de ingeroepen aankoop- of verkoopborderellen of -documenten tegenover de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen slechts bewijskracht indien ze de vermelding 'op naam' dragen en zijn opgesteld ten name van de belastingplichtige of van de personen van wie hij de rechthebbende is. 

Rechtspraak

De belastingplichtige kan het tegenbewijs niet leveren aan de hand van zwart geld verworven in  een vorig belastbaar tijdperk. 

  • Cass. 16.02.2001, TFR 2001, 542, Fisc. 2002, 860/11
  • Cass. 26 oktober 1965, geciteerd in Com.I.B.(1992), nr. 341/26.

Commentaar op het WIB 

Nummer 341/1

 

De bepalingen van art. 341, WIB 92, laten de administratie toe, om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen, te steunen op tekenen en indiciën, die wijzen op een hogere graad van gegoedheid dan die welke uit de aangegeven inkomsten blijkt.

 

Deze bepalingen werden gerechtvaardigd door de noodzakelijkheid te vermijden dat belastingplichtigen verkeerdelijk het lage bedrag van de door hen aangegeven belastbare inkomsten uitleggen door te beweren dat zij van hun kapitaal of van dat van hun echtgenote leven, dat zij geld hebben ontleend of dat zij inkomsten genieten die van belasting zijn vrijgesteld (zie memorie van toelichting bij de W 28.7.1938 tot verzekering van de juiste heffing der belastingen).

 

Nummer 341/2

 

De raming van de inkomsten op grond van tekenen en indiciën moet niet geschieden door op deze elementen forfaitaire coëfficiënten toe te passen in de zin van wat onder het stelsel van de indiciënbelasting bestond. De eventuele referentie naar tekenen en indiciën heeft geen ander doel dan het de administratie mogelijk te maken over bestanddelen te beschikken voor de aanslag van belastingplichtigen wier aangiften een lager inkomstencijfer vermelden dan datgene waarop hun levenstrant en hun maatschappelijke stand wijzen.

 

III. BEGINSELEN

 

Nummer 341/3

 

Het is de aanslagambtenaar die, zonder daarbij de belastingplichtige te betrekken, de tekenen en indiciën moet opsommen die de onontbeerlijke grondslag vormen voor een aanslag op grond van artikel 341, WIB 92 (PV nr. 192 van De Greve, Bull.VA, nr. 26, Kamer, zitting 1980-1981, blz. 2651, Bull. 596, blz. 1283).

 

De vaststelling van de inkomsten volgens tekenen en indiciën leidt tot het bedrag van de belastbare netto-inkomsten (Brussel, 13.5.1965, Heyvaert).

 

De administratie moet, in principe, noch de oorsprong, noch de aard aantonen van de meerinkomsten die zij vaststelt, daar de personenbelasting zowel de beroepsinkomsten als de onroerende, roerende en diverse inkomsten onder één globaal inkomen treft (PV nr. 11 van De Vidts, Bull.VA nr. 6, Kamer, zitting 1976-1977, blz. 213, Bull. 548, blz. 327).

 

Nummer 341/4

 

De tekenen en indiciën zelf mogen niet op eenvoudige vermoedens steunen, omdat ze, aangezien zij bestemd zijn om vermoedens te vormen, noodzakelijk het voorafgaande bewijs veronderstellen van een feit, van een concreet element zoals de betaling van een hoge huur, van weeldeuitgaven, een levenswijze die wijst op een hogere gegoedheid (Brussel, 3.7.1952, Mertens).

 

Hierbij zij aangestipt dat de algemene bekendheid geen bewijs noch vermoeden in fiscaal recht vormt. De wetgever heeft in de W 28.2.1924 tot wijziging van de wetgeving op de inkomstenbelasting (V 145), uitdrukkelijk zijn wil geuit aan de administratie het recht te ontkennen om zich te beroepen op de algemene bekendheid voor de raming van de belastbare inkomsten. Deze wil van de wetgever werd onderstreept in het advies van het openbaar ministerie dat aan het arrest Cass., 23.5.1950, Chapelle, Pas. 1950, I, 671-672, Bull. 259, blz. 328, voorafgaat (Brussel, 3.11.1960, Stroobant).

 

Nummer 341/5

 

De administratie is gerechtigd onder de indiciën de bekentenis van de belastingplichtige in aanmerking te nemen, zelfs indien deze geformuleerd is in een juridisch onbestaande aangifte; de bekentenis van de inkomsten door de belastingplichtige vormt inderdaad de beste der indiciën (Luik, 8.7.1953, Engelmann, Bull. 297, blz. 453; Cass., 7.12.1954, De Beul, Pas. 1955, I, 333).

 

Nummer 341/6

 

De raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën is een globale raming. Het kan niet volstaan, opdat deze raming zonder uitwerking zou blijven, dat de afzonderlijke schatting, gedaan volgens één van de tekenen en indiciën beneden de aangegeven inkomsten zou blijven, wanneer de globale raming, volgens het geheel der tekenen en indiciën deze inkomsten overtreft (Cass., 23.9.1958, Verbeeck, Bull. 347, blz. 480; 24.3.1959, Janssens, Pas. 1959, I, 752).

 

Nummer 341/7

 

De wet beperkt de macht van de administratie om de belastbare grondslag te ramen volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, niet tot de tekenen en indiciën van het betrokken aanslagjaar alleen (Cass., 21.1.1969, Rimbert, Bull. 469, blz. 1918).

 

Het vermoeden gevormd door tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, is een vermoeden juris tantum betreffende de oorsprong, d.w.z. dat de sommen waarop het betrekking heeft geacht worden voort te komen uit belastbare inkomsten, dus uit inkomsten behaald gedurende het belastbaar tijdperk (Cass., 26.10.1965, Vanden Bossche Fr., Bull. 434, blz. 1454).

 

Een niet gerechtvaardigde vermogensaangroei kan slechts worden aangenomen als teken of indicie waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, voor zover het, vrij van alle schulden, een netto-actief vertegenwoordigt (Cass., 8.2.1967, Tuerlinckx, Bull. 451, blz. 772).

 

Nummer 341/8

 

Er bestaat geen aanleiding toe tekenen of indiciën te gebruiken zo deze het bestaan niet aanwijzen van inkomsten die merkelijk hoger zijn dan de aangegeven inkomsten. Men leest in dit verband in het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer van Volksvertegenwoordigers: "Bij het aanleggen van dergelijke tekenen en indiciën, zal men noodgedwongen een ruime maatstaf moeten aanleggen en de controleur zal slechts met nut tot dit bewijsmiddel zijn toevlucht nemen, indien de welstand aan het licht gebracht door tekenen en indiciën op merkelijk hogere inkomsten wijst dan de aangegeven inkomsten" (parl.st., Kamer, zitting 1937-1938, nr. 296, blz. 5).

 

IV. GLOBALE INDICIEN OVER EEN PERIODE VAN VERSCHEIDENE AJ. - JAARLIJKSE VERDELING

 

Nummer 341/9

 

Het eenjarigheidsbeginsel van de belasting belet niet rekening te houden met tekenen en indiciën blijkend uit vast- stellingen lopend over een ononderbroken reeks aj. waarover de verificaties van de administratie zich wettelijk uitstrekken (Cass., 6.5.1952, Hermisse, Bull. 288, blz. 61; 6.12.1955, Berdoux, Pas. 1956, I, 334).

 

In dergelijk geval mag de administratie vermoeden dat de niet aangegeven inkomsten die blijken uit de bevonden vermogensaangroei, in gelijke mate werden behaald in de loop van elk der met de behandelde aj. overeenstemmende jaren, indien de feitelijke elementen, welke onder meer voortvloeien uit de jaarlijkse belastingaangiften, van een bestendige en regelmatige beroepswerkzaamheid doen blijken (Cass., 6.5.1952, Hermisse, Bull. 288, blz. 61; 2.3.1954, Joannes, Pas. 1954, I, 570; 6.12.1955, Berdoux, Pas. 1956, I, 334; 21.5.1963, Fieremans, Bull. 413, blz. 2234). De bevonden vermogensaangroei mag nochtans aan één of sommige der behandelde aj. worden toegerekend zo door welbepaalde omstandigheden wordt aangetoond dat bedoelde aangroei slechts in de loop van die aj. is kunnen ontstaan (Brussel, 24.6.1958, Melis; Cass., 23.4.1959, Martin, Pas. 1959, I, 854).

 

Het is echter niet verantwoord een over een ononderbroken reeks aj. bepaalde vermogensaangroei uitsluitend op sommige, inzonderheid de laatste, aj. om te delen, indien niets erop wijst dat deze aangroei niet is ontstaan in de loop van de voorgaande aj. welke definitief werden belast (Gent, 3.1.1961, Nonneman).

 

Het spreekt vanzelf dat de redenering gehouden in de hiervoor samengevatte arresten niet enkel van toepassing is op een vermogensaangroei maar op alle gegevens, nl. de uitgaven, die in het kader van art. 341, WIB 92 weerhouden worden.

 

V. VRAGEN OM INLICHTINGEN BETREFFENDE DE OORSPRONG VAN DE INKOMSTEN

 

Nummer 341/10

 

Het gebeurt dat een belastingplichtige een inkomstencijfer aangeeft dat kennelijk minder bedraagt dan de uitgaven die met zijn levenstrant overeenstemmen; in dat geval vraagt de aanslagambtenaar aan de betrokkene hem uit te leggen waar hij de middelen vandaan haalt tot het voeren van de levenstrant waarop de tekenen en indiciën, die moeten worden opgegeven, wijzen.

 

VI. ONDERZOEK VAN HET ANTWOORD OP DE VRAGEN OM INLICHTINGEN

 

Nummer 341/11

 

Verstrekt de betrokken belastingplichtige een aanneembare uitleg met behoorlijke bewijzen, zoals bv. het bewijs dat hij van zijn kapitaal leeft, dat hij leningen van private aard heeft aangegaan, dat zijn bestaansmiddelen hem door vrienden of familieleden worden bezorgd, dat hij inkomsten heeft genoten die van belasting vrijgesteld zijn, dan beoordeelt de aanslagambtenaar de gegeven uitleg met de vereiste bevattelijkheidszin; zo, daarentegen, de belastingplichtige zich tot loutere beweringen beperkt zonder positieve en controleerbare elementen aan te brengen of zo hij het de aanslagambtenaar niet mogelijk maakt ten minste de morele overtuiging op te doen dat de aangifte juist is, verbetert deze ambtenaar het cijfer van het door de betrokkene aangegeven inkomen; daartoe steunt hij op de ter kennis van de belastingplichtige gebrachte en niet door deze ontkende tekenen en indiciën, mits de waarde te vermelden die hij eraan toekent.

 

VII. TOEPASSING

 

A. BEZIT - AANKOPEN - BELEGGINGEN - DEPOSITO'S

 

Nummer 341/12

 

Een materieel feit, zoals het bezit van een kapitaal, kan een teken en indicie zijn dat belangrijkere inkomsten laat vermoeden dan die welke aangegeven werden, ook voor een loontrekker die geen gekende winstgevende werkzaamheid uitoefent (Gent, 24.6.1958, De Muynck).

 

Nummer 341/13

 

De geldsommen of waarden die in het bezit worden gevonden van een belastingplichtige die ze naar een vreemd land vervoert, kunnen worden beschouwd als tekenen en indiciën die de administratie kan aanvoeren om de graad van gegoedheid van die belastingplichtige vast te stellen.

 

Nummer 341/14

 

De sommen die de belastingplichtige aan beleggingen, voorschotten en aankopen van effecten besteed heeft, kunnen tekenen en indiciën zijn, die door de administratie kunnen worden ingeroepen en door de feitenrechter in aanmerking kunnen worden genomen door de eerste als bewijs en door de tweede ter beoordeling van de graad van gegoedheid van die belastingplichtige (Cass., 20.2.1958, Van Keerbergen; 16.11.1960, Wwe Krivine, Bull. 377, blz. 1184).

 

Nummer 341/15

 

Is een geldig indicie in de zin van art. 341, WIB 92, de volstorting van een gedeelte van het kapitaal bij de oprichting van een PVBA zelfs indien de belastingplichtige voorhoudt doch nalaat te bewijzen, dat hij slechts als "stroman" is opgetreden en dat de gelden die gediend hebben tot de volstorting afkomstig waren van een persoon die geen deelbewijzen bezit maar die tot de zaakvoerder van de vennootschap wordt aangesteld (Antwerpen, 29.4.1980, S.L., Bull. 611, blz. 2724).

 

Nummer 341/16

 

De administratie mag vermoeden dat het bedrag van het aanvangskapitaal dat een handelaar in zijn boekhouding heeft vermeld, bij gebrek aan bewijs omtrent de herkomst of het fictief karakter ervan, voortkomt van winst welke deze belastingplichtige heeft behaald ingevolge de vóór het openen van de boekhouding uitgeoefende handelsactiviteit. Behoudens bewijs van valse inschrijving, moet immers worden geacht dat een handelaar die in zijn balans een kapitaal vermeldt, dit bedrag werkelijk in zijn bedrijf heeft geïnvesteerd.

 

Nummer 341/17

 

Wanneer bankdeposito's van een belastingplichtige tekenen en indiciën vormen waaruit een hogere graad van gegoedheid dan uit de aangegeven inkomsten blijkt, worden de sommen die hieraan werden besteed, behoudens tegenbewijs van de belastingplichtige, vermoed voort te komen van belastbare inkomsten (Cass., 14.6.1960, Van Parijs en cons., Bull. 370, blz. 1924).

 

B. DELGEN VAN EEN SCHULD

 

Nummer 341/18

 

De delging van een schuld heeft in rechte en in feite een verrijking tot gevolg en vormt bijgevolg een teken en indicie.

 

C. ALLERHANDE UITGAVEN

 

Nummer 341/19

 

De wet bepaalt niet waarin de in aanmerking te nemen tekenen en indiciën bestaan.

 

Uitgaven van welke aard ook veronderstellen een te voren bestaande gegoedheid en kunnen aldus als teken en indicie in aanmerking worden genomen. Er wordt niet vereist dat dergelijke uitgaven een karakter van bestendigheid zouden vertonen (Luik, 16.5.1953, Knoors).

 

D. HUISHOUDELIJKE UITGAVEN

 

Nummer 341/20

 

De gezinsuitgaven vormen, ongeacht hun bedrag een indicie van het bestaan van de inkomsten door middel waarvan zij werden gedaan en kunnen dus als grondslag dienen, eventueel met andere elementen, voor de raming van de basis die belastbaar is naar tekenen en indiciën. De administratie kan het bedrag van die uitgaven door middel van feitelijke vermoedens bewijzen (zie o.m. Cass., 10.4.1951, Lecolier-Rombaut, Bull. 274, blz. 487; Cass., 6.5.1952, Hermisse, Bull. 288, blz. 61; Brussel, 8.4.1952, Dutilleux; Cass., 23.5.1967, Vermaercke, Pas., 1967, I, 1119).

 

Nummer 341/21

 

Men mag de huishoudelijke kosten niet afzonderen van de andere uitgaven van persoonlijke aard en de ene en de andere niet apart beschouwen; anders zou het de belastingplichtige mogelijk zijn deze verschillende aanwendingen achtereenvolgens aan te rekenen op dezelfde aangegeven inkomsten, zodat zij deze zouden te boven gaan spijts de logica en de wil van de wetgever (Luik, 29.10.1952, Bourdon; Cass., 7.11.1950, Duval, Bull. 262, blz. 427; 31.3.1953, Piette, Pas. 1953, I, 598).

 

Nummer 341/22

 

In ieder geval, moeten de huishoudelijke uitgaven gematigd en op rationele wijze worden vastgesteld rekening houdende met de samenstelling van het gezin van de belastingplichtige, met zijn levenswijze (kinderen die kostelijke studies doen, dienstboden, auto's, enz.).

 

Nummer 341/23

 

De betaalde huur vormt zonder twijfel een indicie van de levenswijze (Brussel, 5.6.1952, Lederman).

 

E. LOPENDE REKENING IN EEN VENNOOTSCHAP

 

Nummer 341/24

 

De aangroei van het creditsaldo van de lopende rekening van een vennoot in een vennootschap is een indicie.

 

F. WAARDE VAN DE BOEKHOUDING

 

Nummer 341/25

 

De wijzigingsprocedure volgens tekenen en indiciën mag worden aangewend zonder dat vooraf de onregelmatigheid van de boekhouding van de belastingplichtige dient te worden vastgesteld (Cass., 14.3.1957, Neid, Pas. 1957, I, 838).

 

VIII. TEGENBEWIJS

 

A. ALGEMENE BEGINSELEN

 

Nummer 341/26

 

Wanneer de administratie de belastbare inkomsten volgens tekenen en indiciën heeft vastgesteld, rust op de belastingplichtige het tegenbewijs dat hij geen hogere graad van gegoedheid bezit dan die welke uit de aangegeven inkomsten blijkt (Gent, 31.1.1950, Van Eetvelde); het volstaat niet er gewone beweringen tegen aan te voeren, maar hij moet positieve en controleerbare gegevens bijbrengen (Cass., 10.4.1951, Lavend'Homme, Pas. 1951, I, 544; 3.4.1951, Van Erck-Koyen, Pas. 1951, I, 515; 3.9.1963, Driscart, Bull. 414 - blz. 2418).

 

De gegoedheid aan het licht gebracht door de indiciare methode, maakt het mogelijk de belastbare grondslag te bepalen zodra de belastingplichtige niet, door middel van positieve en controleerbare gegevens, heeft aangetoond dat deze gegoedheid voortkomt van andere dan belastbare bestaansmiddelen (Cass., 29.11.1960, Hanne, Bull. 377, blz. 1200).

 

Wanneer de belastbare basis wettig werd bepaald volgens tekenen en indiciën van een hogere graad van gegoedheid en de belastingplichtige, als tegenbewijs, feitelijke vermoedens inroept, mag de administratie zich ertoe beperken op te komen tegen de als vermoedens aangevoerde elementen, zonder dat zij nog een bewijs behoeft in te brengen (zie voormeld arrest Hanne).

 

Wanneer de administratie, na het cijfer van de aangegeven inkomsten onjuist te hebben bevonden, de raming van de belastbare grondslag heeft gedaan volgens tekenen of indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, rust de last van het tegenbewijs op de belastingplichtige die met positieve en controleerbare gegevens dient aan te tonen dat die hogere graad van gegoedheid van andere dan in de inkomstenbelastingen belastbare inkomsten of van inkomsten van voor het belastbare tijdperk voortkomt (Cass., 26.10.1965, Vanden Bossche, Bull. 434, blz. 1454).

 

Wanneer de tekenen en indiciën waaruit de betwiste gegoedheid is gebleken uit bepaalde uitgaven bestaan, moet de belastingplichtige niet daarenboven nog bewijzen dat de door hem aangetoonde inkomsten, die de vastgestelde graad van gegoedheid verantwoorden, ook werkelijk werden aangewend om de bedoelde uitgaven te financieren (Cass., 5.9.1986, Scheepers, Bull. 660, blz. 841).

 

De eis van de belastingplichtige dat de administratie zou moeten nagaan of de voor vorige jaren aangegeven inkomsten of elke andere regelmatige aangroei van zijn vermogen, het in aanmerking genomen bezit of de in aanmerking genomen belegging niet gedeeltelijk of volledig rechtvaardigen, komt erop neer de bewijslast, die op de belastingplichtige rust, op de administratie te leggen (Brussel, 22.3.1965, Driscart, Bull. 426, blz. 95). Daarenboven zijn de aangiften in de inkomstenbelastingen over de voorgaande jaren op zich niet voldoende om het bewijs van zijn spaarcenten te leveren. Een eenvoudige mogelijkheid tot besparen of tot sparen volstaat niet om de aanwezigheid van liggende gelden te bewijzen bij het begin van het beoogde tijdperk (Brussel, 22.11.1988, C.L., Bull. 688, blz. 2268).

 

Om het bestaan te rechtvaardigen van tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid dan uit de aangegeven inkomsten blijkt, mag de administratie, onder meer door vermoedens, het fictief karakter bewijzen van een contract dat de belastingplichtige aanvoert met een derde te hebben afgesloten (Cass., 17.9.1959, Schwarz, Pas. 1960, I, 62).

 

B. TEGENBEWIJS MET BETREKKING TOT DE VERKOOP VAN ROERENDE WAARDEN AF ANDERE FINANCIELE INSTRUMENTEN

 

1. Algemeen

 

Nummer 341/27

 

In het kader van dat tegenbewijs leggen sommige belastingplichtigen naamloze documenten voor betreffende verrichtingen in roerende waarden of andere financiële instrumenten (met inbegrip van goud en edele metalen).

 

Wegens hun naamloosheid was het reeds onmogelijk de bovenbedoelde documenten op zichzelf als positieve en controleerbare gegevens aan te merken. Om de hierboven beschreven praktijk beter te kunnen bestrijden heeft W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V 2073) art. 341, WIB 92, aangevuld met een bepaling die ertoe strekt dergelijke documenten tegenover de administratie slechts bewijskracht te verlenen indien ze op naam zijn, zulks om te vermijden dat ze worden gebruikt door andere personen dan diegenen die de verrichtingen werkelijk hebben uitgevoerd (parl.st., Senaat, zitting 1990-1991, nr. 1166-2, blz. 44).

 

Nummer 341/28

 

Deze bepaling is van toepassing op de vanaf 1.1.1991 gedane verrichtingen.

 

2. Roerende waarden of andere financiële instrumenten verworven als belegging

 

a) Begrippen : roerende waarden of andere financiële instrumenten

 

Nummer 341/29

 

De voormelde W 28.12.1990 geeft geen omschrijving van roerende waarden of andere financiële instrumenten. Art. 1, W 4.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (V 2071) definieert wel deze begrippen.

 

Luidens dat artikel wordt verstaan :

 

1° onder "effecten" :

 

- aandelen en andere rechten van vennoten in alle burgerlijke en handelsvennootschappen en de bewijzen van dergelijke rechten van vennoten;

- obligaties, kasbons en alle andere bewijzen van collectieve leningen;

- rechten in verenigingen, onverdeeldheden of groeperingen en bewijzen van deze rechten en inzonderheid :

- vastgoedcertificaten;

- rechten van deelneming van gemeenschappelijke beleggingsfondsen;

- rechten op roerende of onroerende goederen die georganiseerd zijn in vereniging, onverdeeldheid of groepering van juridische of feitelijke aard, die inhouden dat de houders afstand doen van het eigen genot van deze goederen waarvan het collectief beheer wordt opgedragen aan een persoon die beroepsmatig optreedt;

- inschrijvingsrechten en andere bewijzen die recht geven op inschrijving op of verwerving van de hierboven bedoelde effecten;

- andere door de Koning vastgestelde rechten en bewijzen;

 

2° onder "andere financiële instrumenten" :

 

- termijnovereenkomsten, opties en financiële instrumenten op termijn en overeenkomsten betreffende de evolutie van het indexcijfer van de prijzen van de effecten, grondstoffen, edele metalen, energie of valuta's, die voldoen aan de door de Koning gestelde voorwaarden;

- andere door de Koning vastgestelde rechten en bewijzen.

 

Nummer 341/30

 

Ten aanzien van art. 341, 2e lid, WIB 92, dienen aan de opsomming van waarden en instrumenten in 341/29, goud en edele metalen te worden toegevoegd (parl.st., Senaat, zitting 1990-1991, nr. 1166-2, blz. 44).

 

b) Verwerving als belegging

 

Nummer 341/31

 

De W 28.12.1990 bepaalt evenmin wat moet worden verstaan onder verwerving van roerende waarden of andere financiële instrumenten als belegging.

 

Nummer 341/32

 

Art. 341, 2e lid, WIB 92, heeft betrekking op het tegenbewijs dat de belastingplichtige levert door bij een taxatie volgens tekenen en indiciën een verkoop van roerende waarden of financiële instrumenten aan de administratie tegen te werpen. In dat stadium van de taxatieprocedure mag men beschouwen dat elke waarde of instrument waarvan de verkoop wordt aangevoerd a priori als belegging werd aangeschaft.

 

3. Aankoop- en verkoopborderellen of -documenten

 

Nummer 341/33

 

Wanneer een belastingplichtige het verschil in een vermogensbalans wil rechtvaardigen met de opbrengst van de verkoop van roerende waarden of andere financiële instrumenten, moet hij documenten op naam overleggen waaruit blijkt dat hij waarden en instrumenten heeft verkocht waarvan hij eigenaar was.

 

Het bewijs van verkoop moet blijken uit het verkoopborderel of -document op naam terwijl de eigendom normaliter kan worden aangetoond met het aankoopborderel of -document op naam.

 

Nummer 341/34

 

Wanneer de verkochte waarden of instrumenten vóór 1.1.1991 zijn aangekocht, kan het bewijs van aankoop geleverd worden door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

 

4. Borderellen of documenten op naam

 

Nummer 341/35

 

Art. 341, 2e lid, WIB 92, heeft niet noodzakelijk de bedoeling alle documenten op naam te doen stellen, maar heeft tot gevolg dat alleen borderellen of documenten die de vermelding "op naam" dragen en opgesteld zijn ten name van de betrokken belastingplichtige (of op naam van de persoon wiens rechtverkrijgende hij is) ten aanzien van de administratie bewijskracht hebben (parl.st., Kamer, zitting 1990-1991, nr. 1366/6, blz. 31).

 

5. Personen van wie de belastingplichtige de rechtverkrijgende is

 

Nummer 341/36

 

Door art. 341, 2e lid, WIB 92, in fine aan te vullen na de woorden "ten name van de belastingplichtige" met de woorden "of van de personen van wie hij de rechtverkrijgende is", heeft de wetgever rekening willen houden met gevallen waarin een belastingplichtige een erfenis heeft verkregen. Een dergelijke belastingplichtige kan zich in een procedure van taxatie volgens tekenen en indiciën in het kader van het tegenbewijs geldig op de borderellen of documenten op naam van de erflater beroepen.

 

De belastingplichtigen die van die mogelijkheid gebruik kunnen maken, zijn de erfgenamen en de erfgerechtigden in de zin van art. 46,§ 1, 1°, WIB 92, en van de commentaar op dat artikel (parl. st., Senaat, zitting 1990-1991, nr. 1166-2, blz. 45).